"Lkol b.d. P. Dekkers"

Tiendaagse veldtocht

Burgeroorlog in het Koninkrijk der Nederlanden

‘Dan liever de lucht in’. Voor sommige mensen een bekende kreet, maar de achtergrond ervan zal, behalve degenen die in onze vaderlandse geschiedenis geïnteresseerd zijn, waarschijnlijk niet bekend zijn. Volgens de overlevering werd zij uitgesproken door ltz 2 Jan van Speijk, commandant van ZM kanonneerboot nr. 2. Van Speijk had op 5 februari 1831 de opdracht om op de Schelde voor Antwerpen scheepsladingen te controleren op contrabande.

Door de sterke noordwestenwind dreef  zijn schip echter af op de kade en een aantal burgers zou aan boord zijn gesprongen. Het opstandige Antwerpse ‘grauw’ zou de bedoeling hebben gehad de Nederlandse vlag neer te halen, waarop Van Speijk zich naar de kruitkamer begaf en door zijn brandende sigaar in het vat met buskruit  te steken het schip te laten ontploffen. Of het werkelijk de laatste woorden van Van Speijk waren is natuurlijk niet te zeggen aangezien vrijwel de hele bemanning van het schip bij de explosie om het leven kwam. Zijn woorden zijn een citaat uit een brief aan zijn nicht, enkele weken eerder: ‘…eerder nog boot en kruit en mij de lugt in gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig over te geven’. Ook zijn eigen bemanning had hij in dergelijke bewoordingen toegesproken.

Zoals opgemerkt zullen waarschijnlijk nog weinigen in staat zijn deze gebeurtenis in de historische context te plaatsen en de betekenis ervan op de juiste waarde te schatten. Ook in die tijd niet, want alhoewel de daad van Van Speijk in militaire zin onbetekenend was, werd hij toch als held vereerd. Hij werd geroemd, zijn lichaam werd bijgezet in de koninklijke grafkelder in Delft en koning Willem I besloot bij KB dat bij de Koninklijke Marine altijd een schip zou varen dat de naam Van Speijk zou dragen.

In dit boek gaan de auteurs uitgebreid in op het verhaal van deze eerste oorlog in het toen nog prille bestaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Maar de oorlog was meer dan alleen het militaire verhaal. De auteurs hebben daarom ook uitgebreid aandacht geschonken aan de gecompliceerde relatie tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Verenigd door een gedeelde geschiedenis en taal, maar geenszins een eenheid. Het Koninkrijk der Nederlanden was een staatkundige constructie, bedacht tijdens het Congres van Wenen in 1814 – 1815. De dominante regeerstijl van koning Willem I leidde al spoedig tot onrust en opstandigheid, niet alleen in het zuiden dat zich ondervertegenwoordigd voelde, maar ook in delen van het noorden. Met name op het platteland, waar armoede en honger schering en inslag waren, maar waar de scheiding der geesten ook langs religieuze en andere lijnen verliep. Katholieken voelden zich achtergesteld in Limburg en Brabant, maar ook in bepaalde delen van Twente was de bevolking zeker niet op de hand van koning Willem I. Aan de andere kant had de koning geen oog voor de orangistische gevoelens die leefden onder een groot  deel van de gevestigde elite in het zuiden en regeringsgetrouwe zuiderlingen hadden geen antwoord op het revolutionaire geweld dat vanaf 1830 oplaaide. Maar de staat van oorlog voerde ook tot onrust onder de gemobiliseerde militairen van wie velen deserteerden. Anderzijds werd tijdens de Tiendaagse Veldtocht ook met grote overgave gestreden: ‘Neerlands Koning riep Te Wapen en alles vloog om den geleden hoon in het bloed der muiters te wreken’. Zo begon de onderwijzer Johannes Olivier op vele pagina’s met zijn tirade over ‘verwatene en brooddronken Belgen, die door Nederlands kloekhartige zonen werden verslagen’. In het boek komen aldus tientallen ooggetuigen en tijdgenoten van beide zijden van de Tiendaagse Veldtocht aan het woord en de lezer krijgt een duidelijk inzicht in de omstandigheden die tot deze burgeroorlog leidden: het verhaal van een koninkrijk in ontbinding.

Na een uitgebreide beschrijving van de achtergrond en context van de opstand in de Zuidelijke Nederlanden krijgt ook het militaire deel van het verhaal uitgebreid aandacht. De Belgische opstand ontwikkelde zich tot een ware revolutie die zelfs tot binnen het koningshuis tot een scheuring leidde. Waar de koning en zijn voornaamste minister er in slaagden door hun kortzichtige en autoritaire regeerstijl de steun van loyale en gematigde orangisten in het zuiden te verliezen, slaagde de kroonprins erin de chaos nog te vergroten. Door zijn vader was hij naar Antwerpen gestuurd  om van daaruit de overgebleven zuidelijke provincies te besturen. Op 16 oktober 1830 liet hij in een proclamatie weten België als onafhankelijke natie te erkennen. Hij werd hierop van al zijn taken ontheven en verbannen naar Engeland. Generaal Chassé, aangesteld als militair commandant van Antwerpen besloot als reactie op straatgevechten en beschietingen van  de citadel de stad te bombarderen. Alhoewel de beschietingen na enkele uren in een wapenstilstand eindigden bereikte Chassé het tegenovergestelde van wat hij gehoopt had te bereiken. De grote mogendheden van die tijd schaarden zich aan de zijde van de revolutionairen, wat resulteerde in een aantal protocollen: ‘Les Bases de Séparation’. De grenzen werden gevormd langs de scheidslijnen van de Republiek der Verenigde Provinciën van 1790. België zou worden gevormd uit de overige gebieden, met uitzondering van Luxemburg. De protocollen werden door Willem I aanvaard, maar het definitieve verdrag werd later alsnog door hem afgewezen. Deze ingreep leidde tot de Tiendaagse Veldtocht van augustus 1831.

Vanaf hoofdstuk 6 wordt de Tiendaagse Veldtocht daarop in detail beschreven. De Belgen, maar ook de grote mogendheden hadden de Nederlandse woede, wraakgevoelens en gekrenkte eer onderschat. De vijandelijkheden begonnen eerder al met een mislukte Nederlandse aanval op Brussel, maar het leger dat zich daar in 1830 nog opzichtig had geblameerd, had zich binnen een jaar herpakt. De discipline was toegenomen en desertie kwam nauwelijks nog voor. Het invasieleger dat op 2 augustus 1831 ten strijde trok telde twee infanteriedivisies en een cavaleriedivisie onder Trip van Zoudtland. Alle commandanten beschikten over een schat aan ervaring, opgedaan in Franse dienst en in Nederlands-Indië. Het Belgische leger telde slechts 24.000 man, voor een deel gedeserteerde mannen uit het eerdere gezamenlijke leger. De Belgische commandanten waren voor het merendeel voormalige opstandelingenleiders en het geheel stond onder het commando van de minister van oorlog, die geen enkele militaire ervaring had. De Nederlanders waren erop gebeten de Belgen te verslaan voordat andere mogendheden, met name Frankrijk, kans zagen in te grijpen ten gunste van  de Belgen. Uiteindelijk werden de vijandelijkheden op 12 augustus gestaakt onder druk van Engeland. Ofschoon het daarna opgestelde vredesverdrag, het Verdrag van de Vierentwintig Artikelen, gunstig uitpakte voor Nederland werd het door Willem I afgewezen. Breekpunt was de citadel van Antwerpen die hij ten koste van alles wenste te behouden. Vanaf 15 november 1832 werd de citadel, waar generaal Chassé beschikte over 4500 man en 145 vuurmonden, belegerd door een Franse strijdmacht van 65.000 man. In december begonnen de beschietingen over en weer en na drie weken kwam Chassé tot de conclusie dat de situatie onhoudbaar was. Beslissend daarbij was de inzet van het Mortier Monstre door de Fransen dat 1823 bommen van duizend pond op de citadel afschoot. Op 23 december werd door Chassé de witte vlag gehesen en de slag om Antwerpen was verloren, ten koste van 124 Nederlandse gesneuvelden en een vrijwel gelijk aantal aan Franse zijde. Een laatste, zinloze krijgsverrichting in een  oorlog die militair door Nederland weliswaar was gewonnen maar op het diplomatieke front volstrekt kansloos was. Toch duurde het nog tot 1839 voordat een gekrenkte koning Willem I bereid was de werkelijkheid onder ogen te zien en het vredesverdrag te ondertekenen. De Nederlandse staatschuld was tot een voor die tijd astronomische hoogte opgelopen en door de hoge kosten van het in stand houden van een omvangrijk leger verdwenen de inkomsten in een bodemloze put. De belastingen werden noodgedwongen verhoogd en de populariteit van de koning was tot een dieptepunt gedaald. Het machtsvertoon tegen de zwakke Belgische tegenstander had Nederland veel internationale goodwill gekost en de auteurs maken duidelijk dat de opstand van de Belgen tegen het Nederlandse  gezag heel anders en gunstiger had kunnen verlopen, met behoud van het verenigd koninkrijk. De koning en zijn entourage hadden echter geen oog gehad voor de breuklijnen in het koninkrijk dat hun bij het Weens Congres min of meer in de schoot was geworpen. Een verstandiger beleid, met oog voor de problemen en gerechtvaardigde eisen van het zuiden, had ertoe kunnen leiden dat  het verenigd koninkrijk had kunnen uitgroeien tot een volwaardige natie en een sterke Europese staat. Ondanks alle gemiste economische en staatkundige kansen slaagden beide landen er uiteindelijk toch in zich te ontwikkelen tot goed georganiseerde en samenwerkende, democratisch bestuurde landen. Een enkele keer steken oude gevoeligheden weer eens de kop op, maar die zijn altijd van korte duur en samenwerking op allerlei terreinen voert toch de boventoon.

Al met al een makkelijk leesbaar boek en de vele details, opgetekend door tijdgenoten van het conflict, geven het boek een smakelijke couleur locale. Met name de plaatsing in een historische context maakt het tot een waardevolle aanvulling van de gemiddelde middelbare schoolkennis van dit stukje van onze vaderlandse politieke en militaire geschiedenis.